Zes op de tien Nederlandse woningen hebben een geregistreerd energielabel. Van die woningen heeft ruim de helft label A of B. Dat klinkt als een goed rapport, maar het is niet het hele verhaal: vier op de tien woningen hebben helemaal geen label, de rekenmethode veranderde in 2021, en volgens Milieu Centraal is twee derde van de woningen nog niet goed geïsoleerd.
In dit artikel zetten we de cijfers op een rij: hoe de labels verdeeld zijn, waarom die cijfers een vertekend beeld geven, en hoe Nederland het doet vergeleken met de rest van Europa. Voor dat laatste hebben we een eigen berekening gemaakt op basis van Eurostat-data, want energielabels kun je niet tussen landen vergelijken.
De korte versie: Nederlandse woningen zijn relatief zuinig, maar we verwarmen ze fossieler dan welk ander EU-land ook. Wat de koplopers anders deden, en wat je daar zelf aan kunt doen, staat verderop.
1. Zo zijn de energielabels verdeeld
Eind 2024 hadden ruim 5,1 miljoen woningen een geldig energielabel, 61% van de ongeveer 8,3 miljoen woningen in Nederland. Van die gelabelde woningen ziet de verdeling er zo uit:
| Label | Aandeel van de gelabelde woningen |
|---|---|
| A of beter (A t/m A++++) | ± 35% |
| B | 16% |
| C | 25% |
| D | ± 10% |
| E, F of G | < 14% |
Bron: Compendium voor de Leefomgeving op basis van de RVO-registratie, peildatum 31 december 2024. Het aandeel D is afgeleid als restpost.
Ruim de helft heeft dus A of B; iets minder dan een op de zeven zit in de onderste drie klassen. In 2010 had nog maar 16% label A of B en 25% label E, F of G. Los van de labels daalde het gemiddelde gasverbruik per woning van 1.250 m³ in 2015 naar 790 m³ in 2025 (CBS, voorlopig cijfer). De energiecrisis van 2022 gaf de grootste knik, en het verbruik veerde daarna niet terug.
Achter het gemiddelde zitten grote verschillen per eigenaar. Corporaties hebben al hun woningen gelabeld en halveerden het aantal sociale huurwoningen met label E, F of G in drie jaar, van ongeveer 247.000 in 2022 naar ongeveer 115.000 in 2025. In de particuliere huur had begin 2023 nog een kwart van de woningen zo’n label. Koopwoningen zitten ertussenin, maar juist daar ontbreken de meeste labels.
2. Waarom die cijfers niet alles zeggen
De tabel hierboven gaat over woningen mét label. Dat is een belangrijk voorbehoud, om drie redenen.
Bijna vier op de tien woningen hebben geen label. Een label wordt vooral geregistreerd bij verkoop, verhuur of na een verbouwing. De gelabelde groep is daardoor geen afspiegeling: corporatiewoningen zijn voor 100% gelabeld, koopwoningen voor een veel kleiner deel.
De rekenmethode veranderde in 2021. Sinds 1 januari 2021 wordt het label berekend met de NTA 8800, terwijl oude labels tot tien jaar geldig blijven. Bij corporaties kwam ongeveer de helft van de daling van slechte labels in 2022 en 2023 door die nieuwe methode, niet door verbouwingen.
Labels onderschatten de koopvoorraad. De makelaarsvereniging NVM liet in 2025 uitrekenen wat koopwoningen zouden scoren met een actueel label: geregistreerd gemiddeld C, gecorrigeerd B. Veel eigenaren hebben verbouwd zonder een nieuw label aan te vragen.
Het bouwjaar zegt meer dan het gemiddelde
Wie wil weten waar de slechte labels zitten, moet naar het bouwjaar kijken. Vergelijkingssite Independer analyseerde de labelregistratie van 28 mei 2026 per bouwperiode, provincie en gemeente: van de woningen van vóór 1945 heeft 23,5% een geregistreerd label F of G, in Zeeland 38,8% en in Pekela zelfs 52,9%. Het volledige onderzoek van Independer naar energielabels per bouwjaar en regio laat ook de andere provincies en gemeenten zien. Omdat maar ongeveer 54% van de vooroorlogse woningen een label heeft en monumenten tot 29 mei 2026 waren uitgezonderd, ligt het werkelijke aandeel eerder hoger. Ongeveer 18% van de Nederlandse woningen dateert van vóór 1945: daar zit de grootste opgave.
3. Nederland vergeleken met Europa
Hoe doen we het vergeleken met de buren? Die vraag is lastiger dan hij lijkt, want de voor de hand liggende maatstaf werkt niet: energielabels kun je niet tussen landen vergelijken. Elk land bepaalt zelf waar de grens tussen een B en een C ligt. Een Duitse A is geen Nederlandse A.
Daarom hebben we het anders gedaan. We hebben voor 28 Europese landen uitgerekend hoeveel CO₂ een gemiddeld huishouden per jaar uitstoot voor verwarming en warm water. Daarin telt alles mee: het gas dat in huis verbrand wordt, maar ook de uitstoot van de stroom en de stadswarmte die het huishouden voor verwarming gebruikt. Dat laatste is belangrijk, want anders lijkt elektrisch verwarmen gratis: de uitstoot verhuist dan naar de centrale en telt niet meer mee bij de woning.
De uitkomst is gecorrigeerd voor het klimaat. Een Fins huishouden stookt meer omdat het er kouder is, niet omdat het huis slechter is. We rekenen de verwarming daarom om alsof elk land evenveel koude dagen had als het EU-gemiddelde. In de tool hieronder kun je die correctie ook uitzetten, en je kunt kiezen of de stroom en stadswarmte meetellen. Dan zie je meteen wat dat met de ranglijst doet.
Duurzaam Thuis-score: CO₂ van verwarming en warm water per huishouden
Klik op een kolomkop om te sorteren. Nederland is gemarkeerd. Kies hieronder wat je wilt zien.
| # | Land | kg CO₂ / huishouden | Score | Aardgas % | Hernieuwbaar % | Warmtevraag kWh | Daling % | Kan huis niet warm houden % |
|---|
Zo lees je dit: minder CO₂ is beter. Het EU-gemiddelde staat altijd op een 5,5; de beste en slechtste vergelijkbare EU-waarde op 10 en 1. Landen met een ⚠ hebben meer energiearmoede dan gemiddeld in de EU: een lage uitstoot kan daar ook betekenen dat mensen te weinig stoken. Cyprus en Malta staan cursief: met zo weinig koude dagen wordt de correctie onbetrouwbaar.
Bronnen: Eurostat (energieverbruik huishoudens per drager nrg_d_hhq, graaddagen nrg_chdd_a, huishoudens lfst_hhnhtych, hernieuwbaar aandeel nrg_ind_ren, broeikasgasinventaris env_air_gge, warmteproductie nrg_bal_peh, energiearmoede ilc_mdes01), Europees Milieuagentschap (CO₂-intensiteit stroom, ENER 038), IPCC 2006 (emissiefactoren). Eigen berekening Duurzaam Thuis, peildata 2022-2025.
Wat eruit komt
Een Nederlands huishouden stoot voor verwarming en warm water ongeveer 1.500 kg CO₂ per jaar uit. Na klimaatcorrectie is dat ruim 1.520 kg, tegen ongeveer 1.460 kg gemiddeld in de EU. Nederland staat daarmee op plaats 17 van de 26 vergelijkbare landen en krijgt in onze score een 5,2: middenmoot, net onder het Europees gemiddelde.
De koplopers zijn Zweden en Noorwegen met zo’n 200 kg per huishouden, gevolgd door Finland en Denemarken. Die landen verwarmen elektrisch, met warmtepompen of via warmtenetten op biomassa en restwarmte, en hun stroom is vrijwel CO₂-vrij. Onderaan staan Luxemburg, België en Ierland, met 2.300 tot 2.650 kg per huishouden. Duitsland zit op ruim 2.000 kg. Nederland doet het dus beter dan alle directe buren, en aanzienlijk slechter dan Scandinavië.
Wat opvalt, is hoe die Nederlandse uitstoot tot stand komt. Van alle energie die we voor verwarming en warm water gebruiken, is 77% aardgas. Dat is het hoogste aandeel van alle onderzochte landen; Italië volgt op 58%, Duitsland zit op 45%. Tegelijk is onze warmtevraag laag: ruim 8.300 kWh per huishouden per jaar, tegen ruim 12.000 in Duitsland en meer dan 13.000 in België. Nederlandse huizen zijn dus relatief zuinig, maar de warmte die ze nodig hebben, maken we bijna volledig met gas. Onze uitstoot daalt bovendien sneller dan gemiddeld: sinds 2014 met ongeveer 22%, gecorrigeerd voor het weer, tegen 12% EU-breed.
Dat is de eerlijke samenvatting: het probleem is niet ons huis, maar waar de warmte vandaan komt.
Drie lessen van de koplopers
De landen bovenaan de lijst hebben geen betere huizen dan wij, maar een andere warmte. Wat ze daarvoor deden, is beter overdraagbaar dan het lijkt.
1. Geef fossiele verwarming een harde einddatum, jaren van tevoren. Het Noorse parlement vroeg in 2012 om een verbod op olieverwarming in woningen; sinds 1 januari 2020 is het van kracht. Denemarken verbood olie- en gasketels in nieuwbouw al in 2013. Finland legde in 2019 vast dat kolen in 2029 uit de warmtenetten moeten; Helsinki sloot zijn laatste kolencentrale in 2025, vier jaar eerder. Zweden koos een ander instrument met hetzelfde effect: een CO₂-belasting die sinds 1991 stapsgewijs zesvoudig steeg, waardoor stookolie in de verwarming van ongeveer een kwart naar minder dan 5% zakte. Huishoudens kregen tijd, maar de richting was nooit onzeker.
2. Organiseer warmte per wijk, en verduurzaam de bron. In Denemarken zit ruim twee derde van de huishoudens op een warmtenet, dankzij verplichte gemeentelijke warmteplanning. Een warmtenet is pas klimaatwinst als de bron meegaat: het fossiele aandeel in de Deense stadswarmte daalde in tien jaar van ongeveer de helft naar 13%, en Finse stadswarmte stootte in 2024 per kWh 64% minder uit dan in 2010. Nederland werkt met de wijkaanpak aan hetzelfde, maar staat nog aan het begin.
3. Omarm de eenvoudige warmtepomp. In Finland en Noorwegen is ruim 85% van de verkochte warmtepompen een lucht-luchtunit: goedkoop, snel geplaatst en in de meeste woningen goed voor het grootste deel van de warmte. In Noorwegen heeft inmiddels meer dan 60% van de huishoudens er een. Opvallend is dat de energieprijs voor Nederland geen excuus is: de verhouding tussen de stroom- en de gasprijs voor huishoudens ligt bij ons rond 1,5, de gunstigste van de EU, terwijl 2 geldt als grens waaronder een warmtepomp rendabel is. Het verschil met de koplopers zit niet in de prijs, maar in het product en het tempo.
Bronnen: IEA (CO₂-belasting Zweden, olieverbod Noorwegen), Deense energieagentschap en warmtebranche, Finnish Energy, EHPA, en Ember op basis van Eurostat-prijzen.
Hoe we rekenen, en waar het wringt
Een eigen berekening vraagt om openheid over de keuzes. Dit zijn de belangrijkste.
- Bronnen. Energieverbruik per drager en per gebruiksdoel van Eurostat (nrg_d_hhq), gemiddeld over 2022 tot en met 2024. Emissiefactoren per brandstof uit de IPCC-richtlijnen van 2006. CO₂-intensiteit van de stroom per land van het Europees Milieuagentschap. Intensiteit van stadswarmte afgeleid uit de brandstofmix van de warmteproductie per land (Eurostat nrg_bal_peh), met een aangenomen rendement van 85%. Graaddagen en aantal huishoudens van Eurostat.
- Klimaatcorrectie. Alleen de ruimteverwarming wordt gecorrigeerd, warm water niet. Bij landen met heel weinig koude dagen wordt de correctie onbetrouwbaar; Cyprus en Malta staan daarom cursief en tellen niet mee als beste of slechtste waarde.
- Houtstook telt als nul. Dat is de officiële conventie in de emissie-inventaris: hout is biogeen. Wie de schoorsteenuitstoot van hout wél meetelt, ziet Nederland stijgen naar plaats 9 en de Baltische staten en Kroatië hard zakken. We volgen de conventie, maar noemen het effect.
- Warmtepompen. Een warmtepomp die met 1 kWh stroom 3 kWh warmte maakt, telt in de energiecijfers als 1 kWh. In een CO₂-vergelijking is dat geen probleem, want de uitstoot van die stroom telt gewoon mee. In de kolom warmtevraag lijken landen met veel warmtepompen wel zuiniger dan hun woningen zijn.
- Lage uitstoot is niet altijd goed nieuws. In Bulgarije, Litouwen, Griekenland, Portugal en Spanje kan meer dan 15% van de huishoudens het huis niet warm houden. Weinig stoken is daar deels niet kunnen stoken. Die landen hebben een waarschuwing in de tabel.
- De score. Het EU-gemiddelde (gewogen naar aantal huishoudens) krijgt altijd een 5,5, de beste vergelijkbare EU-waarde een 10, de slechtste een 1. Daartussen rekenen we rechtlijnig. Verschillen kleiner dan een half punt zijn ruis.
- Controle. Onze bottom-up berekening komt voor Nederland uit op 1.319 kg directe uitstoot per huishouden; de officiële broeikasgasinventaris geeft 1.389 kg inclusief koken. Met de stroomcijfers van Ember in plaats van het Milieuagentschap verandert er vrijwel niets aan de ranglijst.
De onderliggende cijfers staan per land in de tool, zodat je alles kunt narekenen. De volledige methode staat op onze methodepagina. We verversen de tabel jaarlijks zodra Eurostat nieuwe cijfers publiceert.
4. Wat er de komende jaren verandert
Vier ontwikkelingen die deze cijfers de komende jaren verschuiven.
- Nieuw label sinds 29 mei 2026. Nederland voerde toen het eerste deel van de herziene Europese gebouwenrichtlijn in. Bestaande labels blijven geldig; de klasse-indeling zelf verandert pas rond 2030.
- Huurwoningen minimaal label D per 1 januari 2029. Voor particuliere verhuurders én corporaties, met uitzonderingen voor onder meer monumenten. Geen verhuurverbod, maar een eis aan het gebouw.
- 2,5 miljoen geïsoleerde woningen in 2030. Sinds 2022 zijn het er volgens het ministerie grofweg 800.000; in juni 2026 kwam er een extra isolatieoffensief bij. Het kabinet zegt zelf dat het tempo te laag is.
- 16% minder energie in 2030. Europa verplicht lidstaten het gemiddelde energieverbruik van woningen met 16% te verlagen ten opzichte van 2020, en met 20 tot 22% in 2035, vooral via de slechtst presterende woningen. Het coalitieakkoord van begin 2026 wil daarnaast vanaf 2029 weer normeren op hybride warmtepompen bij vervanging van de cv-ketel, maar een wetsvoorstel ligt er nog niet.
5. Wat je zelf kunt doen
De landenvergelijking wijst de richting: onze huizen zijn niet slecht, onze warmte is fossiel. Voor je eigen woning geldt toch de vaste volgorde, omdat een zuinig huis de voorwaarde is om van het gas af te kunnen.
1. Eerst de schil. Isoleer wat nog niet geïsoleerd is: spouwmuur, dak, vloer en glas. Milieu Centraal geeft deze gasbesparingen voor een woning die van geen naar goede isolatie gaat:
| Maatregel | Tussenwoning | Hoekwoning | 2-onder-1-kap | Vrijstaand |
|---|---|---|---|---|
| Spouwmuurisolatie | 180 m³ | 400 m³ | 400 m³ | 600 m³ |
| Dakisolatie (schuin dak) | 320 m³ | 340 m³ | 360 m³ | 550 m³ |
| Vloerisolatie | 80 m³ | 130 m³ | 170 m³ | 250 m³ |
Gasbesparing per jaar. Bron: Milieu Centraal, bijgewerkt zomer 2026. Volgens Milieu Centraal heeft ongeveer een op de vier woningen nog ongeïsoleerde buitenmuren, en is de dakisolatie in veel woningen te dun.
2. Dan ventilatie. Een goed geïsoleerd huis moet gecontroleerd ventileren; een systeem met warmteterugwinning haalt bovendien warmte uit de afgevoerde lucht terug.
3. Dan de warmtebron. Pas als de warmtevraag laag is, komt de (hybride) warmtepomp in beeld; die scheelt volgens Milieu Centraal ongeveer 70% gas. Dit is precies waar Nederland in de landenvergelijking achterblijft.
4. Daarna zonnepanelen. Die verlagen je stroomrekening, niet je warmtevraag.
5. Werk je label bij. Heb je verbouwd, laat dan een nieuw label opmaken; anders staat je huis nog jaren verouderd in het register. Hoe dat werkt, lees je in ons artikel over het energielabel van je huis.
6. De kleinste stap: weet waar je energie vandaan komt. Overstappen maakt je huis niet zuiniger, maar als je toch energieleveranciers vergelijkt, zie je meteen hoe duurzaam je stroom en gas zijn en waar ze vandaan komen.
Welke maatregelen bij jouw woning passen, bekijk je in onze eigen woningtool.
Wat levert het op?
Een hoekwoning goed isoleren
Met Duurzaam Thuis maken we duurzaamheid vergelijkbaar en begrijpelijk. We gebruiken zoveel mogelijk bestaande bronnen met autoriteit en wetenschappelijke methodes. En waar nodig berekenen of controleren we oplossingen zelf. We berekenen en testen oplossingen op 2 niveau's. Als eerste brengen we voor oplossingen de impact in beeld, met als belangrijkste indicator hoeveel bomen je hebt bespaard. En als tweede kijken we per product welke we de beste Duurzaam Thuis score geven.
De impact van oplossingen/productgroepen brengen we als volgt in kaart:
- Bomen bespaard: Met een Life Cycle Assessment (LCA) kan de volledige milieu-impact van de productie en van het gebruik in kaart worden gebracht. Wij focussen hier op de gemiddelde CO2 besparing per jaar bij een 2 persoonswoning ten opzichte van de "oude" situatie. Omdat CO2 niet altijd even aansprekend is, hebben we deze omgerekend naar de CO2 opname van bomen per jaar (22 kilo CO2).
- Kosten: Voor de prijs kijken we naar de gemiddelde prijs van de duurzame varianten. We hebben een backend koppeling met de meeste webshops voor de kosten, waardoor we gemakkelijk een gemiddelde kunnen inschatten.
- Terugverdientijd: hiervoor kijken we naar de prijs ten opzichte van de jaarlijkse besparingen. Een product dat 30 euro kost en waarmee je 60 euro aan energieverbruik terugverdiend heeft bijvoorbeeld een terugverdientijd van een half jaar.
- Gemak: Hierbij kijken hoe we hoe snel je een actie kan uitvoeren. We gaan er hierbij vanuit dat je wel een beetje handig bent. Voor jouw situatie kan dit een stuk hoger (of lager) liggen.
Op deze manier kan je zien welke oplossingen (bijvoorbeeld waterbesparende douchekoppen of energiezuinige koelkasten) voor jou het meeste opleveren, gezien de beperkte middelen die je hebt. Maar binnen productgroepen (zoals de waterbesparende douchekoppen) liggen de beste producten vaak heel dicht bij elkaar. En mensen vinden zaken als kwaliteit, jaren garantie en andere zaken ook belangrijk bij duurzaam producten. Om een scherpe vergelijking te maken binnen productgroepen hebben we daarom de Duurzaam Thuis score. We toetsen producten zelf en op basis van een aantal elementen geven wij deze score. Dit zijn:
- Kwaliteit: Op basis van reviews bij verschillende bronnen (bijv. coolblue, Amazon of de consumentenbond) en onze eigen ervaringen geven wij een oordeel. Dit is een gewogen gemiddelde van de verschillende bronnen. We baseren ons niet op 1 bron, tenzij het een heel vernieuwend product is met beperkte reviews. Op de ‘i” voor informatie rechtsboven de kwaliteitsbeoordeling kan je de bron vinden.
- Duurzaamheid: Dit meten we meestal in het verbruik van een specifiek product. Bij bijvoorbeeld een waterbesparende douchekoppen is dit in liters per minuut. Bij Koelkasten is het KwH per jaar. Op deze manier sluiten we aan op de hoeveelheden die vaak ook op deze producten staan. En blijven de producten onderling vergelijkbaar. Omdat we alleen de beste producten laten zien scheelt het soms maar heel weinig tussen de verschillende producten.
- Kosten: De prijsverschillen zijn tussen producten soms fors. Een waterbesparende douchekop heb je bijvoorbeeld voor 15 euro. Maar je hebt ze ook voor 100. euro. Wij wegen dit ook mee. De meeste mensen willen een product hebben met hoge kwaliteit en duurzaamheid, maar met een lage prijs.
- Kwalitatieve voor en nadelen: de bovenstaande punten dekten vaak niet de hele lading van een product. Soms is er een extra voordeel zoals de garantie die fors langer is, wat ook een teken is voor langere levensduur.
Alles is indicatief, afhankelijk van jouw exacte thuissituatie zullen reële besparingen wisselen. Zie ook onze verantwoording.
Zuinige huizen, fossiele warmte
Nederlandse woningen hebben, na correctie voor het klimaat, een van de laagste warmtevragen van Noordwest-Europa. Dat is een verdienste van decennia bouwen en isoleren. Maar de manier waarop we die warmte maken, is de meest fossiele van de Europese Unie: 77% aardgas, tegen 45% in Duitsland en nul in Scandinavië. Het resultaat is een uitstoot per huishouden die net boven het EU-gemiddelde ligt.
De trend is gunstig. Onze uitstoot daalt sneller dan gemiddeld, het gasverbruik per woning is sinds 2015 met ruim een derde gedaald, en corporaties hebben hun slechtste labels in drie jaar gehalveerd. Maar het isolatiedoel voor 2030 is niet in zicht, en op de warmtepomp lopen we ver achter op landen met een vergelijkbaar klimaat.
Voor je eigen huis betekent dit: de grootste winst zit niet in nog een beetje beter isoleren, maar in de stap van gas naar een andere warmtebron, zodra je huis daar klaar voor is.
Nederlandse woningen vragen weinig warmte, maar we maken die warmte fossieler dan welk ander EU-land ook. Middenmoot, net onder het Europees gemiddelde.